Het armoederisico in België blijft toenemen. Tien jaar geleden werd 14,7 procent van de Belgen beschouwd als een risicogroep voor monetaire armoede, vorig jaar lag dat aantal op 15,9 procent, zo blijkt uit de jongste cijfers van Statbel. Het gaat om mensen die in een huishouden wonen waarvan het totale beschikbare inkomen lager ligt dan 1.139 euro per maand voor een alleenstaande. Het armoederisico stijgt jaar na jaar en is vooral groot bij jongeren, zo blijkt. In 2016 lag het armoederisico op 15,5 procent. Vorig jaar steeg dat tot bijna 16 procent.

Vooral jongeren vertonen een groter risico: in de categorie tot vijftien jaar heeft 17,9 procent een risico op monetaire armoede. Tien jaar geleden was dat 16,6 procent. In de categorie 16-24 jaar is er nu zelfs sprake van 22,1 procent risico op armoede, een pak meer dan de 17,5 procent tien jaar geleden. Bij 65-plussers doet zich dan weer de omgekeerde beweging voor: het risico daalde er van 21,3 procent in 2008 naar 16 procent vorig jaar.

Ook werklozen (49,1 procent) zijn een stuk kwetsbaarder dan de werkende bevolking (5 procent). Hetzelfde geldt voor leden van eenoudergezinnen (39,7 procent), tegenover bijvoorbeeld een gezin met twee volwassenen en twee kinderen (8,5%). Ook huurders (36,4 procent) lopen een groter risico op armoede dan zij die eigenaar zijn van hun woning (8,8%).

Statbel stelt nog vast dat sinds het begin van de metingen de kloof tussen de laagst opgeleiden (hoogstens diploma lager onderwijs) en hoger opgeleiden groter is geworden: respectievelijk 27,2 procent versus 6,4 procent.

Volgens de Europese armoede-indicator vertoont zelfs 20,3 procent van de Belgische bevolking een risico op armoede of sociale uitsluiting. Zo'n 13,5 procent van de Belgen leeft in een huishouden met een lage werkintensiteit, terwijl 5,1 procent geconfronteerd wordt met ernstige materiële deprivatie.