Voor het hof van assisen van Vlaams-Brabant in Leuven stonden de replieken in het debat over de schuldvraag woensdagavond in het teken van artikel 71 over onweerstaanbare drang. Dat artikel uit het strafwetboek leidde tot een getouwtrek tussen het openbaar ministerie en de verdediging.


Mehrnaz Didgar (51) wordt beschuldigd van moord op haar 14-jarige dochter. De neurochirurge van het UZ Leuven zou Eline Pans door verstikking om het leven hebben gebracht op haar appartement in Leuven op 26 juli 2017.
Jef Vermassen had de jury eerder op de dag gevraagd om Didgar onschuldig te verklaren aan de dood van haar dochter Eline Pans. De raadsman van de neurochirurge riep daarvoor artikel 71 over de onweerstaanbare drang in. Zoals de procedure dat voorschrijft, bood assisenvoorzitter Peter Hartoch de betrokken partijen de kans om een repliek te geven.
Procureur Kristophe Everaerts gaf toe dat hij, net zoals het gros van de aanwezigen, verrast werd door de vraag om vrijspraak van de verdediging. "De elementen in het dossier wijzen niet in de richting van onweerstaanbare drang. Elke voorwaarde van artikel 71 moet vervuld zijn. De feiten moeten plaatsgevonden hebben buiten de wil van de dader. Die moet volledig uitgeschakeld zijn. Dat was niet het geval volgens de gerechtspsychiater."
Vermassen stelde dat de drang vreemd moet zijn aan de dader. "Het mag niet vanuit jezelf komen. In deze situatie van depressie was ze in haar geest niet meer in de mogelijkheid om terug te keren. Iemand die zwaar depressief is, handelt niet meer normaal."